Go Search

Web Part Page Title Bar image
wimlahaye

 ir. Wim Lahaye: reactie op column 'De paradoxen van het innovatiebeleid' (HIB juni/juli 2009)


De overheid kan de O&O activiteiten best steunen door de fiscale en sociale lasten op de O&O arbeid te verlichten. Ik ga hier als voorbeeld van een kennisonderneming een typische start-up KMO nemen, maar vele elementen in de tekst zijn ook toepasbaar op R&D labs van grotere bedrijven.

 

Stel u voor: u leidt een KMO van kenniswerkers die zich een plaats zoekt in de kenniseconomie. U moet gedurende een aantal jaren iets opbouwen dat de moeite waard is te verkopen en u moet daar dure mensen voor tewerkstellen. Een eerste voorwaarde om te overleven is de financiën onder controle krijgen. Dominant zijn daarbij de extreem hoge salariskosten. Probeer een grafiek te maken van de cashflow in functie van de tijd. De maandelijkse uitgaven voor de werkgever zijn absoluut zeker en torenhoog; de maandelijkse inkomsten zijn absoluut onzeker en laag, ten minste gedurende de eerste jaren. Er is dus alleen regelmaat in de uitgaven, niet in de inkomsten.

 

De talrijke overheidsinitiatieven om bedrijven te steunen in O&O lossen dit probleem niet op en hebben een aantal grote nadelen. Vooreerst kost het een KMO heel wat tijd om zich in die doolhof te oriënteren. Ten tweede, er moet overeenstemming gevonden tussen de O&O doelstellingen van het bedrijf en de doelstellingen van de diverse steunprogramma’s van de overheid. Meestal moet er een uitvoerig dossier of proposal uitgewerkt worden. Dat is soms een goede zaak inzake O&O planning maar het legt nadien ook een keurslijf op aan het O&O. Vaak is de uitkomst van O&O niet op voorhand gekend en zijn de onderzoekers het meest gebaat bij een grote vrijheid in hun onderzoek. Uiteindelijk vergt degelijk O&O een volledige focus op het onderzoeksobject; administratieve rompslomp is daarbij totaal uit den boze.

 

Indien het gaat over een openbare aanbesteding (Europees kaderprogramma, ESA, enzoverder), zit je bovendien met hoge concurrentie  in tijden van crisis. Een aantal opeenvolgende mislukkingen bij het indienen van offertes kunnen voor een kennis-KMO dodelijk zijn.  Ook met overheidssteun blijven kennisbedrijven dus geplaagd met een onzekere inkomensstroom.

 

Het is een beetje gek torenhoge loonlasten te betalen aan de overheid om daarna te moeten ‘bedelen’ voor een hoge O&O overheidssteun? De kenniswerkers worden verondersteld de jobs van de toekomst te creëren maar tegelijk worden ze immobiel gemaakt met sociale lasten waar ze bovendien zelf zelden van genieten. Zo  loopt iedere kennisondernemer en iedere kenniswerker met een zak stenen op de rug.

 

Natuurlijk stelt zich een probleem wanneer je fiscale en sociale lasten op kennisarbeid wil verlichten. Bestaat er een objectief criterium voor kennisarbeid? Hoe kan je vermijden dat de plaatselijke bouwpromotor zijn metsers als materiaalvorsers inschrijft om lastenverlaging te bekomen? Welnu, om ook eens iets voor de K VIV te zeggen, wat is er objectiever dan een diploma? Als alle academische ingenieurs, industrieel ingenieurs, A1 en A2 technici tewerkgesteld in kennisbedrijven kunnen genieten van lastenverlaging, dan is dat niet alleen goed voor die kennisbedrijven maar ook voor de aantrekkelijkheid van de technische studierichtingen. Je slaat dus twee vliegen in één klap.

 

Misschien ook drie vliegen: met een lastenverlaging voor kennisbedrijven ga je ook buitenlandse investeerders en kenniswerkers aantrekken! (Met het zoveelste financiële steunprogramma ga je dit effect niet hebben.) Misschien is dit voorstel op politiek vlak nog niet direct implementeerbaar, maar ik hoop dat u er bruikbare elementen in vindt.

 

Met vriendelijke groeten,

 

Wim Lahaye – promotie 1988

 

<< terug naar overige lezersbrieven